Lexicon
Grieks
- ἀρχή (archē) — begin, oorsprong, heerser, eerste oorzaak
- χαρακτήρ (charaktēr) — nauwkeurig afdruk, uitdrukking
- ἐγώ εἰμι (egō eimi) — IK BEN
- εἰκών (eikōn) — beeld, gelijkenis
- ὁμοούσιος (homoousios) — van hetzelfde wezen/zelfde substantie
- ὑπόστασις (hypostasis) — substantie, natuur, persoon
- κύριος (kyrios) — Heer, Meester
- λόγος (logos) — Woord, Rede, Goddelijke Uitdrukking
- μονογενής (monogenēs) — eniggeboren, uniek, enig in zijn soort
- μορφή (morphē) — gestalte, natuur, wezen
- πλήρωμα (plērōma) — volheid, volkomenheid
- προσκυνέω (proskyneō) — aanbidden, zich neerbuigen
- πρωτότοκος (prōtotokos) — eerstgeborene, de hoogste in rang
- σωτήρ (sōtēr) — Heiland, Verlosser
- θεός (theos) — God