Jesaja Zag Zijn Heerlijkheid
OT: Isaiah 6:1-5
NT-toepassing: John 12:41
Toon de teksten
OT: In het jaar, toen de koning Uzzia stierf, zo zag ik den Heere, zittende op een hogen en verheven troon, en Zijn zomen vervullende den tempel. De serafs stonden boven Hem; een iegelijk had zes vleugelen; met twee bedekte ieder zijn aangezicht, en met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij. En de een riep tot den ander, en zeide: Heilig, heilig, heilig is de HEERE der heirscharen! De ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol! Zodat de posten der dorpels zich bewogen van de stem des roependen; en het huis werd vervuld met rook. Toen zeide ik: Wee mij, want ik verga! dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben den Koning, den HEERE der heirscharen gezien.
NT: Dit zeide Jesaja, toen hij Zijn heerlijkheid zag, en van Hem sprak.
In Jesaja 6 aanschouwt de profeet YHWH op Zijn troon in heerlijkheid en wordt hij door het visioen overweldigd. Johannes stelt uitdrukkelijk dat wat Jesaja zag de heerlijkheid van Christus was — Jezus is de troonsopperzittende YHWH van Jesaja's tempelvisoen.
Theologische betekenis
Dit is een directe identificatie van Jezus met de troonvisioen-theofanie van YHWH. De heerlijkheid die Jesaja zag en hem deed uitroepen 'Wee mij, want ik verga', was de pre-incarnate Christus.
Verdere verwijzingen: John 1:14
; John 17:5 ; 2 Corinthians 4:6