Eer aan JHWH alleen
OT: Jesaja 42:8
NT-toepassing: Johannes 17:5
Toon de teksten
OT: Ik ben de HEERE, dat is Mijn Naam; en Mijn eer zal Ik geen anderen geven, noch Mijn lof den gesneden beelden.
NT: En nu verheerlijk Mij, Gij Vader, bij Uzelven, met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was.
JHWH verklaart Zijn heerlijkheid aan geen ander te geven — zij behoort uniek aan Hem toe. Toch bidt Jezus de Vader Hem te verheerlijken met de goddelijke heerlijkheid die Hij vóór de schepping bezat, en maakt daarmee aanspraak op het eeuwige bezit van de exclusieve heerlijkheid van JHWH.
Theologische betekenis
Het gebed van Jezus openbaart Zijn pre-existentie en het delen van de heerlijkheid des Vaders van eeuwigheid. De heerlijkheid die JHWH aan geen ander geeft, deelt Hij met Zijn Zoon — omdat de Zoon JHWH is.
Verdere verwijzingen: Jesaja 48:11
; Johannes 1:14; Johannes 12:41; Hebreeën 1:3Hebreeën 1:3
Dewelke, alzo Hij is het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord Zijner kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechter hand der Majesteit in de hoogste hemelen;