De herder van Israël
OT: Ezechiël 34:11-12, 15-16
NT-toepassing: Johannes 10:11, 14
Toon de teksten
OT:
NT: Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen. Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen, en worde van de Mijnen gekend.
In Ezechiël 34 veroordeelt JHWH de valse herders van Israël en verklaart dat Hij Zelf Zijn volk zal weiden. Jezus maakt aanspraak op het zijn van deze goddelijke Herder en vervult zo de belofte van JHWH om Zijn kudde persoonlijk te hoeden.
Theologische betekenis
Jezus' 'Ik ben de goede Herder' is een aanspraak op het zijn van de JHWH Die in Ezechiël beloofde Israël Zelf te weiden. De goddelijke Herder is gekomen in menselijke gedaante.
Verdere verwijzingen: Psalmen 23:1
; Jesaja 40:11; Hebreeën 13:20; 1 Petrus 2:25