Bespot en Veracht
OT: Psalm 22:6-8
NT: Matthew 27:39-44
Toon de teksten
OT: Tot U hebben zij geroepen, en zijn uitgered; op U hebben zij vertrouwd, en zijn niet beschaamd geworden. Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk. Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, zeggende:
NT: En die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hun hoofden, En zeggende: Gij, Die den tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelven. Indien Gij de Zone Gods zijt, zo kom af van het kruis. En desgelijks ook de overpriesters met de Schriftgeleerden, en ouderlingen, en Farizeen, Hem bespottende, zeiden: Anderen heeft Hij verlost, Hij kan Zichzelven niet verlossen. Indien Hij de Koning Israels is, dat Hij nu afkome van het kruis, en wij zullen Hem geloven. Hij heeft op God betrouwd; dat Hij Hem nu verlosse, indien Hij Hem wel wil; want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon. En hetzelfde verweten Hem ook de moordenaars, die met Hem gekruisigd waren.
De levendige beschrijving van bespotting in Psalm 22 werd nauwkeurig vervuld tijdens de kruisiging. De spotters gebruikten zelfs dezelfde woorden en vervulden daarmee onwetend de Schrift terwijl zij Jezus belachelijk maakten.
Aanvullende verwijzingen
Verdere verwijzingen: Mark 15:29-32
; Luke 23:35-39