Christologia een Nederlandse christologie

Messiaanse verwachting: mens én God

Het Oude Testament ontvouwt, van Genesis tot Maleachi, een profetische gestalte die tegelijk ten volle menselijk en ten volle goddelijk is — niet als een latere christelijke invoeging, maar als de inwendige spanning van de heilshistorische openbaring zelf. De tweenaturenleer is in beginsel reeds in de Hebreeuwse Schriften aanwezig.

Schriftverwijzingen

Toon de apologetische uitwerking

De bewering dat de godheid van Christus achteraf in het Oude Testament wordt ingelezen, miskent dat de spanning tussen menselijkheid en goddelijkheid ingebakken zit in de oudtestamentische teksten zelf: een eeuwige troon voor een sterfelijk zaad (2 Sam 7), een geboren Kind dat El Gibbor heet (Jes 9:6), een doorstoken YHWH (Zach 12:10). De nieuwtestamentische schrijvers identificeren Jezus niet door de grenzen van het Oude Testament te doorbreken, maar door aan te wijzen hoe Hij de reeds bestaande tweeledige profetie vervult.

Toon de apologetische uitwerking

Argumenten

De Davidische Zoon en de Eeuwige Troon

  1. God belooft aan David dat zijn Zoon op een troon zal zitten die tot in eeuwigheid bevestigd zal zijn (2 Samuël 7:12-16)
  2. Een eeuwige troon is een goddelijk voorrecht — de Schrift leert immers dat YHWH alleen eeuwig regeert en Zijn troon met niemand deelt (Psalm 29:10; Jesaja 9:7)
  3. David noemt deze beloofde Nakomeling zelf 'mijn Heere' (Adonai), terwijl YHWH tot hem spreekt: 'Zit aan Mijn rechterhand' — de menselijke afstammeling ontvangt de goddelijke troon als gelijke (Psalm 110:1)

Conclusie: Derhalve is de Davidische Messias zowel Davids menselijke Nakomeling als Davids goddelijke Heere — twee betrekkingen die slechts in één persoon met twee naturen kunnen samenvallen.

Het Kind en de Machtige God

  1. Jesaja 7:14 voorzegt de geboorte van een kind uit een maagd (almah), dat de naam Immanuel — 'God met ons' — zal dragen: een mens van vlees en bloed, maar met een naam die goddelijke tegenwoordigheid impliceert
  2. Dezelfde profeet beschrijft in Jesaja 9:6 een geboren Kind en een gegeven Zoon, waaraan de namen worden gegeven: Wonderlijk Raadsman, El Gibbor (Machtige God), Eeuwige Vader, Vredevorst
  3. El Gibbor is in Jesaja 10:21 de eigennaam van YHWH Zelf — dezelfde titel kan niet op een louter menselijk wezen worden toegepast zonder een goddelijke aanspraak te impliceren

Conclusie: Derhalve voorzegt Jesaja een Kind dat geboren wordt als mens en toch de naam van YHWH draagt — de menselijke geboorte en de goddelijke identiteit zijn in één persoon onlosmakelijk verbonden.

De Doorboorde YHWH en Zijn Metgezel

  1. In Zacharia 12:10 spreekt YHWH in de eerste persoon: 'zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben' — God wordt Zelf doorstoken, en over Hem wordt gerouwd
  2. In Zacharia 13:7 spreekt dezelfde YHWH over 'Mijn Herder' en 'den Man, Die Mijn Metgezel is' (ית עֲמִיתִי) — het woord 'metgezel' (amiti) duidt in de Wet op een naaste gelijke; de Herder staat tot YHWH in een betrekking van volkomen gelijkwaardigheid
  3. Degene die als Metgezel van YHWH wordt geslagen, is dezelfde als Degene die doorboord wordt en wiens rouw YHWH over Zichzelf beschrijft — de geslagen Herder en de doorboorde YHWH zijn één

Conclusie: Derhalve openbaart Zacharia een komende Persoon die tegelijk werkelijk mens is (herder, doorboord) en tegelijk YHWH Zelf — een aankondiging van de vereniging van twee naturen in één Persoon.

De Mensenzoon en de Wolken des Hemels

  1. In Daniël 7:13-14 verschijnt er 'Iemand als een Mensenzoon', komende met de wolken des hemels — de gestalte is menselijk van voorkomen, maar rijdt op de wolken, een uitsluitend goddelijk voorrecht in het Oude Testament (Psalm 104:3; Jesaja 19:1)
  2. Deze Mensenzoon treedt voor de Oude van Dagen en ontvangt heerschappij, heerlijkheid en een Koninkrijk: alle volken, natiën en talen dienen Hem — een dienst die alleen YHWH toekomt
  3. Zijn heerschappij is eeuwig en vergaat niet — uitsluitend YHWH regeert eeuwig (Psalm 146:10; Daniël 4:34)

Conclusie: Derhalve is de Mensenzoon van Daniël 7 een menselijke gestalte met goddelijke attributen, goddelijke aanbidding en goddelijke eeuwigheid — het Oude Testament kondigt een Persoon aan die mens is én goddelijk, die heerschappij ontvangt die alleen aan YHWH toekomt.

Theologische verdieping

De progressieve openbaring van de Messias als zowel mens als God vormt de heilshistorische grondslag voor de chalcedonische leer der twee naturen. Herman Bavinck (Gereformeerde Dogmatiek III, §§ 305-309) betoogt dat de mensheid en godheid van Christus geen latere speculatieve constructie zijn, maar de uitkomst van de schriftuurlijke heilsopenbaring die de ene Persoon als vleeswording van het eeuwige Woord ontvouwt. Stephen Wellum (God the Son Incarnate, hfst. 3) toont aan dat het Oude Testament zelf een 'Messias-plot' ontwikkelt waarin de komende Persoon eigenschappen draagt die alleen aan YHWH toebehoren en tegelijk volledig menselijk is. De profetische teksten van Genesis tot Maleachi zijn niet een reeks los van elkaar staande aanduidingen, maar een samenhangende heilshistorische lijn die uitloopt op de éne Persoon van de Middelaar in Wie twee naturen, onvermengd en ongescheiden, worden vereinigd.

Verwante termen

Verwante onderwerpen

Bronnen