Conclusie Daarom is de Messias zowel waarlijk mens (van Davids huis) als waarlijk JHWH — de Spruit draagt de Naam omdat Hij de Naam is.
Toon het volledige argument
-
De profeten kondigen een Davidische nakomeling aan, de Tsemach (Spruit), die zal regeren als rechtvaardige Koning.
Jer 33:15-16 Isa 11:1 Isa 4:2 -
Aan deze Davidische Spruit wordt de naam JHWH-Tsidkenu — 'JHWH onze Gerechtigheid' — gegeven, een naam die uitsluitend aan JHWH toebehoort.
Jer 33:16 -
De Spruit bouwt de tempel des HEEREN, draagt koninklijke majesteit en zetelt als Priester-Koning op zijn troon — functies die slechts in één persoon samenkomen.
Zech 6:12-13 -
Een menselijke afstammeling van David kan de goddelijke naam JHWH slechts dragen indien hij tevens werkelijk JHWH is — de naam is geen eretitel maar identiteitsaanduiding.
Mic 5:2Isa 9:6
Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst;
Jeremia 23:5-6 kondigt de komst aan van 'een rechtvaardige Spruit' (Tsemach tsaddiq) uit het huis van David. Wat de profetie ongemeen treffend maakt, is de Naam die aan deze Spruit wordt gegeven: 'En dit is Zijn naam, waarmede men Hem noemen zal: De HEERE onze Gerechtigheid' (JHWH-Tsidkenu). In Jeremia 33:15-16 herhaalt de profeet deze aankondiging, ditmaal toegepast ook op Jeruzalem — maar de godsnaam blijft onvervreemdbaar aan de persoon van de Spruit zelf kleven. Het is van het grootste gewicht dat 'JHWH' hier niet als attribuut fungeert ('hij is rechtvaardig'), maar als een persoonsnaam: de Spruit ís JHWH. Zacharia verdiept dit beeld: in Zacharia 3:8 wordt Josua de hogepriester aangezegd dat God Zijn knecht 'Tsemach' zal doen komen, terwijl Zacharia 6:12-13 uitwerkt dat deze Spruit de tempel des HEEREN zal bouwen, koninklijke majesteit zal dragen en als Priester op Zijn troon zal zitten. De combinatie van Davids lijn, de tempel bouwen en het priesterlijk koningschap wijst op een unieke, transcendente persoon. Jesaja 11:1 spreekt van een Scheut (netser) uit de stronk van Isaï, begiftigd met de Geest des HEEREN in volheid — ook hier menselijke afkomst en goddelijke bekwaming in één. Herman Bavinck (Gereformeerde Dogmatiek III) wijst erop dat de oudtestamentische theocratische namen nooit slechts functioneel zijn: God bekleedt de Messias niet met Zijn naam zoals een vorst een titeldragend onderdaan bekleedt, maar openbaart daarin de wezensgelijkheid van de Gezalfde met de Zender. Stephen Wellum (God the Son Incarnate, hfst. 7) benadrukt dat de 'identiteitsoverdracht' van de goddelijke naam op de Tsemach slechts verklaard wordt door de incarnatieleer: de eeuwige Zoon neemt Davids vlees aan zodat één persoon zowel JHWH als zoon van David kan zijn. De Naam JHWH-Tsidkenu is derhalve geen bijv. naamwoord maar een belijdenis: de Messias is JHWH die onze Gerechtigheid is.
Steunteksten Jer 23:5-6
Jer 33:15-16 Zech 6:12-13 Isa 11:1 Isa 9:6Isa 9:6
Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst;
Theologische verdieping
Theologische verdieping
Calvijn merkt in zijn commentaar op Jeremia 23 op dat de naam JHWH-Tsidkenu de godheid van Christus ondubbelzinnig bevestigt, omdat de Schrift de naam JHWH nooit overdraagt aan een bloot schepsel. John Owen (Christologia, hfst. 4) leest de Tsemach-reeks als één organische openbaring: dezelfde persoon die als Davidide wordt geboren, ontvangt als goddelijke Rechter de eer die aan JHWH alleen toekomt.